De nissen
Er gebeurt iets, en niemand heeft nog iets gevraagd. De nis die ongezegd blijft, is de vraag.
Over dit hulpmiddel
Drie lege nissen, en verder niets. Geen som, geen verhaaltje, geen plaatje van wat er gebeurd is — en vooral: nog geen enkel getal. Dat is precies de bedoeling. Zolang er niets gezegd is, kan de klas nog geen antwoord geven, en blijft er maar één ding over om te doen: bedenken wat je hier eigenlijk zou kunnen vragen.
Daarna vertel je één ding tegelijk. Eerst laat je zien hoe de drie bij elkaar horen; er staat nog steeds geen getal, maar het verband is er nu wel. Dan zeg je het getal in de ene nis, en later dat in de andere. Bij elke stap is de vraag dezelfde: wat weten we nu, en wat nog niet? Er verdwijnt nooit iets — er komt alleen steeds één ding bij.
De nis die je niet vertelt, is de vraag. Zodra de twee andere getallen gezegd zijn, komt daar een stippellijn omheen te staan, en telt de klas er onder de nissen samen uit hoeveel er in die nis hoort. Het antwoord wordt dus niet opgeschreven maar geteld, hardop en samen.
Dezelfde drie nissen kunnen in drie ordeningen staan: er gebeurde iets, twee maken samen één, of de een heeft er meer dan de ander. Bij dezelfde twee getallen hoort dan een ander antwoord — en dat is precies het gesprek dat je zoekt. Het hele apparaat is gratis en sluit aan bij de SLO-kerndoelen voor rekenen in groep 3 en 4. De werkwijze is research-based, niet evidence-based: er is geen effectonderzoek naar deze routine. Het Leerkracht-abonnement voegt het printblad toe.
Zo gebruik je het in de klas
- Kies vooraf hoe de drie bij elkaar horen en hoe ver de getallen gaan — tot tien of tot twintig. Zet daarna vast welke nis de klas straks moet uitrekenen: de ronde, de vierkante of de puntige. Staat het grootste getal je niet aan, zet het dan een stapje hoger of lager.
- Begin met drie lege nissen. Vertel de klas dat er iets gebeurd is, en vraag alleen: wat zou je hier kunnen vragen? Verzamel alles wat er komt. Er is op dit moment geen goede of foute vraag, want er is nog niets gezegd.
- Laat nu zien hoe de drie bij elkaar horen. Er staat nog geen getal, maar het verband is er. Vraag opnieuw wat de klas zou kunnen vragen, en wat er veranderd is. Zeg daarna het getal in de ene nis — en pas veel later dat in de andere.
- Als beide getallen gezegd zijn, staat de vraag er vanzelf. Laat de klas eerst hardop schatten wat er ontbreekt, en tel het dan samen uit onder de nissen. Wil je dezelfde twee getallen anders neerzetten, wissel dan van ordening: er hoort dan een ander antwoord bij.
Ideeën voor in de klas
- Besteed de eerste beurt van de week helemaal zonder getallen. Zet de nissen neer, laat zien hoe ze bij elkaar horen en verzamel tien minuten lang alleen maar vragen. Schrijf ze op het printblad en kies er samen één uit om de volgende dag mee verder te gaan.
- Zet dezelfde twee getallen achter elkaar in alle drie de ordeningen. Vraag elke keer: is dit nog dezelfde vraag, en hoort er hetzelfde antwoord bij? Kinderen ontdekken zo dat wat er ontbreekt afhangt van hoe de drie bij elkaar staan, en niet alleen van de getallen zelf.
- Laat een kind de knoppen bedienen. Wie vertelt, bepaalt wat de klas kan uitrekenen — en merkt meteen dat juist de nis die de klas moet uitrekenen niet verteld kan worden. Voor veel kinderen is dat het moment waarop de bouw van een som zichtbaar wordt.